Geschiedenis

Geschiedenis van de begraafplaatsen en Nederland.

Tot het begin van de 19e eeuw was het gebruikelijk dat overledenen in en rondom de kerk begraven werden.
In de kerk was vooral voor de rijken en adel weggelegd, dat koste zeer veel geld.
Soms kon je in de kerk zelfs de lijklucht ruiken en vermoedelijk komt daar ook de uitdrukking “rijke stinkerd” vandaan.
Voor de armere mensen was een plaatsje buiten de kerk, in de “kerkhof”, weggelegd.
Onder invloed van de Fransen en om hygiënische redenen is begin 19e eeuw de wet een aantal malen aangepast om het begraven in steden en kerken te verbieden. Willem I heeft toen in 1823 bepaald dat er in gemeentes met meer dan 1000 inwoners er een begraafplaats buiten de stad moest komen en er niet meer in de steden begraven mocht worden.
Uitzondering hierop zijn  reeds bestaande grafkelders in de kerken, denk bijvoorbeeld aan ons koningshuis met een grafkelder in de Nieuwe Kerk in Delft.

Schijndood.

Uit angst levend begraven te worden is het tevens wettelijk bepaald dat overledenen pas na 36 uur begraven mogen worden.
Vroeger, vooral tijdens epidemieën, werden mensen nog al eens te snel dood verklaard, om de ziekte maar snel uit de stad te krijgen.
Het kwam toen ook voor dat mensen nog levend begraven werden.
Voor het opbaren van de overledenen bouwde men op de begraafplaatsen zogenaamde baar- of lijkhuisjes.

Reacties zijn gesloten.